![]() | NVAF historie en visieDe stichting Nieuwe Vrije Agrarische Federatie (NVAF) is een samenwerking die in 2004 is ontstaan uit een groep succesvolle ondernemingen. Jarenlang zagen zij dat hun succes niet te danken was aan de rol van de Product- en Bedrijfschappen (PBO's), maar aan de eigen visie en werkwijze op de wereldmarkt.Het vele geld dat deze bedrijven jaarlijks verplicht betaalden aan collectieve uitgaven van de schappen bracht nauwelijks tot geen rendement. Sterker nog, omdat er jaarlijks erg veel geld verplicht moest worden afgedragen, werden deze bedrijven stelselmatig financieel verzwakt. Ter info: de Nederlandse Product- en Bedrijfschappen kosten het bedrijfsleven jaarlijks ruim 300.000.000 euro. Het Productschap Tuinbouw (PT) kost de bedrijven jaarlijks ongeveer 80.000.000 euro. Zo doorgaan was geen optie. Er moest een beweging op gang komen om de collega bedrijven te informeren wat er werkelijk aan de hand was binen de PBO. De NVAF was daarmee een feit. Onderaan deze pagina kunt u bij 'Conclusie' lezen waarom wij vinden dat Collectiviteit in een Globale wereld niet meer werkt. Aanvankelijk werd de NVAF gezien als het zoveelste rebellenclubje dat probeerde onder de heffingen van de schappen uit te komen. Maar omdat wij onze strijd uitsluitend voeren op argumenten en niet op het schoppen van relletjes, werd het al snel voor veel mensen duidelijk dat het hier een serieuze beweging betrof die niet meer te stoppen was. Binnen één week ontvingen wij meer dan 10.000 steunbetuigingen uit diverse sectoren. Wij waren dus kennelijk niet de enige met kritiek. ![]() In de barre winter van 1963 vochten boeren in het Drentse Hollandscheveld letterlijk voor hun vrijheid. Zij wilden van het toenmalige Landbouwschap (thans Productschap Tuinbouw) verlost worden. Hun argumenten waren voor een deel vergelijkbaar met die van ons. Klik hier voor een impressie over die opstand in Hollandscheveld. Alle huidige economische ontwikkelingen, hoewel nog steeds ontkent door de schappen, wijzen een andere richting op dan waar de schappen op zijn gebaseerd.. Oude tijden, hoe goed ze misschien ook waren, zijn voorgoed voorbij. Er is geen weg meer terug. Economische groei en ontwikkelingen uit landen dichtbij ons, maar ook van verderweg, nemen stelselmatig cruciale posities van Nederland over. Onze welvaart komt hiermee direct in gevaar. Wij kunnen niet anders dan concluderen dat het systeem van de PBO uitgewerkt is en zal moeten verdwijnen. Free-riders Het meest gehoorde argument om het collectieve systeem van de schappen te verdedigen is: het voorkomen dat bedrijven gratis meeliften (profiteren) van de ‘voordelen’ van het schap, dus Free-riders. Deze gedachte zouden wij voor kunnen stellen wanneer we spreken over een groot aantal kleine bedrijven zoals in de 50-er jaren. Anno 2010, met enorme schaalvergroting is dit een onacceptabel en onhoudbaar argument. Een voorbeeld: in de boomkwekerijsector betalen slechts 11% van de bedrijven 50% van het totale heffingsbedrag voor die sector aan het Productschap Tuinbouw (PT). Maar wie zijn dan de Free-riders? Vanwege de huidige omvang van de bedrijven (schaalvergroting) èn het feit dat schappen een slecht imago hebben (PT scoorde najaar 2009 slechts een 5,2 in een door PT gehouden tevredenheidsonderzoek, er zijn dus erg veel tegenstanders) creëren de Productschappen juist zelf free-riders. Een grote groep bedrijven wil niet meedoen met ‘de schappen’ maar wordt hier toch door verplicht. Daarom zijn de bedrijven die wel willen meedoen de free-riders ten koste van de bedrijven die niet willen meedoen. Ook het argument van de Free-riders bij Productschappen waar altijd verplicht aan moet worden betaald, is dus geheel uitgewerkt. Het Free-riders argument ondermijnt niet alleen het vrije ondernemerschap, het staat zelfs haaks op vele thema’s uit verkiezingsprogramma’s en op de Europese regels voor de Rechten van de Mens. Het systeem van de schappen is gebaseerd op dwang. Dwang heeft in de gehele geschiedenis nog nooit tot positieve resultaten geleid! Ondemocratische schappen Zogenaamde ‘dragende (branche)organisaties’ (zoals LTO) spelen een cruciale en beleidsbepalende rol binnen schappen. In tegenstelling tot andere bedrijfstakken varen de dragende organisaties van de schappen voor een significant deel zowel indirect-financieel als direct- bestuurlijk op het bestaan van het aan hen verbonden schap. Dragende (branche)organisaties kunnen daardoor onmogelijk objectief staan tegenover het schap. Normaal gesproken zouden deze brancheorganisaties hun bestaansrecht moeten ontlenen aan de positieve rol die zij vervullen voor hun sectoren. Bedrijven zouden daardoor graag lid worden van deze organisaties. Echter de verbondenheid aan het schap is juist hetgeen steeds meer bedrijven tegenstaat om lid te worden van een brancheorganisatie. Wij vermoeden zelfs dat dit de meerderheid van de bedrijven is waarmee brancheorganisaties niet meer representatief zijn en dus eigenlijk hun branche niet meer mogen vertegenwoordigen in een schap.. Brancheorganisaties laten geen gelegenheid ongebruikt om het betreffende schap positief te belichten. Vakbladen krijgen massaal informatie aangeleverd vanuit brancheorganisaties en de schappen. Hierdoor worden de lezers (de bedrijven) erg éénzijdig en ‘gekleurd’ geïnformeerd en zouden welhaast positief moeten gaan denken over dit PBO systeem. Erg opvallend is het daarom dat Productschap Tuinbouw (PT) najaar 2009 in een door hen zelf gehouden tevredenheidsonderzoek het cijfer 5,2 kreeg, een onvoldoende! Prompt constateerde PT dat de heffingbetalers onvoldoende weten wat het schap doet. Dit staat haaks op de vele informatie die via vakbladen, nieuwsbrieven etc. wordt verspreid. Terstond werd er 100.000 euro (geld van de sector) uitgetrokken om een imagocampagne voor het PT te maken. Met andere woorden: Het PT doet het niet goed volgens de heffingbetalers en vervolgens wordt het geld van de heffingbetalers gebruikt om het imago van PT op te poetsen! Binnen een productschap bepalen ‘sectorcommissies’ waaraan het geld uitgegeven wordt dat door alle bedrijven, zowel voor- als tegenstanders, verplicht via heffingen bijeen gebracht wordt. Er kunnen alleen bestuurders èn leden uit dragende organisaties lid worden van een sectorcommissie. Ongeorganiseerden, dus niet aangeslotenen bij een dragende organisatie, moeten wel bijdragen maar kunnen dus niet deelnemen in een sectorcommissie en hebben dus géén stem in het schap. Dit is een nogal opmerkelijk ondemocratisch systeem! Er zijn zelfs schappen die korting gegeven op het heffingsbedrag van het schap de ‘Schildhuiskorting’ wanneer bedrijven lid zijn van een dragende organisatie. Wij noemen dit koppelverkoop en keuren dit beslist af. Wij zien een Productschap als een Zeug dat door de bestuurders uit allerlei sectorcommissies wordt leeggezogen zonder dat de heffingbetalers hier invloed van betekenis op hebben ![]() Globalisering Sinds globalisering een feit is, kan men onmogelijk meer nationaal-collectief handelen. Dit systeem zal dus moeten worden losgelaten. Vasthouden aan dit PBO systeem schaadt direct de concurrentiepositie van bedrijven zowel nationaal als internationaal. Nederland is een handelsland en opereert op de wereldmarkt. Een gevolg van het PBO-systeem is afnemende economische betekenis en welvaart. Cijfers van o.a. het Landbouw Economisch Instituut (LEI) onderschrijven deze trend. In 2008 heeft de import voor het eerst de totale binnenlandse productie van agrarische producten overstegen! Deze lijn zal zich verder ontwikkelen ten koste van de Nederlandse productie. Het hoofddoel van de schappen is het dienen van algemeen belang. Dit doel is echter onhoudbaar geworden. De schappen doen wanhopige pogingen om dit hoofddoel nog enigszins aantoonbaar te maken maar slagen hier niet meer in. Wij vinden dat vrijwel alle taken van de schappen privaat kunnen worden uitgevoerd. Waar dit niet mogelijk is (medebewind) stellen wij voor om een ondersteunende afdeling bij een ministerie op te richten. Conclusie Kiezen voor veranderen is vaak moeilijk en eng. Toch zullen er grote keuzes en veranderingen nodig zijn om ons welvaartniveau te behouden en zo mogelijk te verhogen. Dit vraagt om adequaat en ondersteunend overheidsbeleid. Vrijheid van ondernemen is daarbij van essentieel belang. Om ons nog te kunnen profileren in de globale economie is nationale collectiviteit onmogelijk en werkt alleen maar tegen ons. Hoe mooi collectief ook klinkt, het zal ons beslist niet brengen wat we ervan verwachten. Afschaffen van de PBO is geen doel op zich maar een middel om ruimte te creeeren voor de toekomst. Nationale collectiviteit binnen de PBO is niets meer dan afgedwongen solidariteit. Om in de globale wereld te kunnen overleven moeten we toe naar: Internationale samenwerkingen, bundelen van vergelijkende of aanvullende producten en/of diensten, gepatenteerde en geexploiteerde kennis etc.. Dit zijn de nieuwe richtingen die we op moeten. Slechts daarmee kunnen wij ons staande houden en onze bedrijven laten renderen. We hebben marge op onze producten en handel nodig om continuiteit, en daarmee werkgelegenheid, te behouden. Marge hebben we ook nodig om te kunnen investeren in kennis, innovatie en duurzame ontwikkelingen. Marge kunnen we alleen maken als we beter zijn dan onze collega's en ons ook als zodanig kunnen profileren. Collectief zal dit nooit lukken. Graag denken wij met u mee richting een gezonde toekomst voor bedrijvig Nederland. In Mei 2008 hebben wij het NVAF Clustermodel gepubliceerd. Dit is een voorbeeld van een visie waar het naar onze mening met Agrarisch Nederland naar toe zou kunnen. |